Informatie

Inleiding

In 2010 werd door het bestuur van Stichting Scala het besluit genomen om met ingang van augustus 2010 een voorziening in te richten voor kinderen die aantoonbaar hoogbegaafd zijn en in het ‘reguliere’ basisonderwijs tegen hindernissen aanlopen. Deze voorziening kreeg destijds de naam Athena-onderwijs. Deze naam is met ingang van schooljaar 2020-2021 verandert naar Linus-onderwijs.

Linus-onderwijs  is een onderwijsvoorziening voor kinderen die vanwege een cognitief talent meer uitdaging nodig hebben en geen passend onderwijs aanbod krijgen binnen het reguliere onderwijs. Het doel is zodanig onderwijs te bieden zodat deze kinderen hun talenten optimaal kunnen ontwikkelen in een veilige omgeving met ontwikkelingsgelijken. We stimuleren een reflectieve, kritische en onderzoekende houding en proberen onze leerlingen vaardigheden en tools aan te reiken waarmee zij straks de ‘grote’ wereld in kunnen. Een wereld, die zich niet aan deze leerlingen blijft aanpassen.

In augustus 2014 startte Linus-onderwijs een vierde groep en bezoeken ongeveer 90 leerlingen onze school. Onze locatie bevindt zich aan de Johann de Wittstraat 11, 5151CK te Drunen. In augustus 2015 zijn we hier een vijfde groep gestart.

In februari 2018 is de zesde groep van start gegaan (een groep 4/5), daarmee zal Linus-onderwijs een maximaal aantal leerlingen van 138 kunnen opvangen.

Per augustus 2018 vangt Linus-onderwijs 155 leerlingen op. Dit komt omdat er een samenwerking is tussen Scholengroep Willem van Oranje en Stichting Scala. Dit betekent concreet dat we op 20 augustus 2018 zijn gestart met 7 groepen. De huidige setting bestaat nog steeds uit 7 groepen.

 

Wat is een IQ?

Het IQ (intelligentiequotiënt) is een cijfer om cognitieve intelligentie aan te duiden. Het IQ wordt verkregen door de verstandsleeftijd te delen door de werkelijke leeftijd. Het IQ is geen waarde die je kunt vergelijken met lengte, gewicht, leeftijd of andere objectief meetbare eigenschappen van een kind. De verstandsleeftijd wordt bepaald op basis van de antwoorden op een aantal onderdelen van een test. De waarden zijn genormeerd, wat wil zeggen dat de waarden (en de frequenties waarin ze voorkomen) zodanig ingeschaald zijn dat ze steeds op een bepaalde manier verdeeld zijn over de bevolking, namelijk volgens een klokvorm. De waarden helemaal links en rechts in deze klokvorm komen zeer uitzonderlijk voor. De waarden in het midden (tussen de IQ waarden 80 en 120) komen het meeste voor.

Dit wordt zo voorgesteld:

Zorgcurve onderwijs

Bron: https://www.unique-talentbegeleiding.com/blogs/de-zorgcurve-in-het-onderwijs

Definitie van hoogbegaafdheid

In de literatuur zijn diverse modellen en beschrijvingen te vinden over het begrip hoogbegaafdheid. Het mag duidelijk zijn dat hoogbegaafdheid over intelligentie gaat. Maar op basis van de literatuur en onderzoek is inmiddels bekend dat er meer duiding nodig is om te spreken over hoogbegaafdheid. Oftewel: hoogbegaafdheid is meer dan alleen een hoog IQ.

We gaan niet alle bestaande modellen en beschrijvingen weergeven. Voor dit moment volstaat het om onze gekozen theoretische duiding aan te geven. Deze duiding leidt tot een logische stap naar het benoemen van de doelgroep van het beleid en daarmee de selectie van deze doelgroep.

Wij sluiten aan bij drie modellen en beschrijvingen uit de literatuur. Het zogenoemde model ‘Renzulli-Mönks’, het model van ‘Tessa Kieboom’ en het ‘Delphi-model’.

Model Renzulli-Mönks (model 1)

De Amerikaanse psycholoog prof.dr. Joseph Renzulli definieerde hoogbegaafdheid als de interactie tussen drie aanlegfactoren: een hoge intelligentie, een hoge taakgerichtheid (motivatie en focus tot een taak) en een hoog niveau van creativiteit. Onder creativiteit moeten we verstaan: het kunnen bedenken van originele oplossingen, vindingrijkheid, probleemoplossend vermogen. Renzulli is later de term intelligentie gaan vervangen door ‘bijzondere capaciteiten’ (bijvoorbeeld de aanleg voor sport). Bovendien sprak Renzulli niet over hoogbegaafd maar over hooggetalenteerd.

De Duits-Nederlandse ontwikkelingspsycholoog prof. dr. Franz Josef Mönks ging voort op het model van Renzulli, maar plaatste de drie aanlegfactoren in een bredere context. Hij plaatste de factoren in de omgeving. De leerling heeft een passende omgeving nodig om de aanleg tot ontwikkeling te laten komen. Zonder de juiste omgeving zegt Mönks, kunnen er wel in aanleg capaciteiten zijn op hoogbegaafd niveau, maar komen ze niet tot ontwikkeling en resulteren ze niet in prestaties.

Kortom:

  1. de drie aanlegfactoren moeten aanwezig zijn: hoge intelligentie, taakgerichtheid en creativiteit.
  2. de drie aanlegfactoren moeten elkaar overlappen (zie cirkels van het model) om hoogbegaafde prestaties te kunnen bereiken.
  3. om de drie aanlegfactoren te laten overlappen is een stimulerende gunstige omgeving nodig vanuit school, gezin en peers (ontwikkelingsgelijken).

Model 1: triadisch interdepentiemodel Renzulli / Mönks

 

Voor de regionale fulltime HB onderwijsvoorziening sluiten we aan bij deze omschrijving van hoogbegaafde leerlingen. We vinden echter dat één essentie mist in dit model voor de duiding van hoogbegaafdheid.

Uit literatuur en onderzoek blijkt namelijk dat hoogbegaafde kinderen naast hun cognitie ook een hoge mate van gevoeligheden kennen. Hier worden termen aangegeven als: hoogsensitief, hooggevoelig en overexcitabilities. De term overexcitabilities komt van de Poolse psychiater/psycholoog Dabrowski. Hij onderbouwde zijn theorie gericht op ‘talented and gifted people’ van alle leeftijden op 5 gevoelsaspecten, waarvan 3 overexcitabilities in bovengemiddelde mate aanwezig zijn bij hoogbegaafde personen namelijk de emotionele gevoeligheid, de intellectuele gevoeligheid (leerhonger) en de verbeeldingskracht (fantasie, creativiteit). De andere twee gevoeligheden zijn: zintuiglijke gevoeligheid en psychomotorische gevoeligheid.

Om het gevoelsleven toe te voegen aan de theoretische duiding van hoogbegaafdheid sluiten wij ons tevens aan bij het model van Tessa Kieboom.

Model Tessa Kieboom (model 2)

Dr. Tessa Kieboom beschrijft hoogbegaafdheid met behulp van twee luiken. Zij noemt dit het cognitieve luik (het denken) en het zijnsluik (het voelen). In het cognitieve deel noemt zij dezelfde eigenschappen als bij Renzulli en Mönks. Deze eigenschappen leiden tot leerhonger.

Zij voegt er echter het zijnsluik toe om basis van duizenden hoogbegaafden die zij in haar werkzame bestaan is tegengekomen en andere onderzoeken. In het zijnsluik voegt zij de volgende eigenschappen toe: perfectionisme, een groot rechtvaardigheidsgevoel, een kritische instelling en hoge mate van gevoeligheid. Deze eigenschappen leiden tot een gevoel van ‘anders zijn’. Dinke Sinke heeft het onderdeel ‘zijnsluik’ van Tessa Kieboom in een overzicht geplaatst.

Model Maud Kooijman-van Thiel, Delphi-model (model 3)

Tot slot willen we het Delphi-model naar voren brengen om de theoretische duiding aan hoogbegaafdheid te geven. Dit model is mede ontwikkeld door hoogbegaafde personen zelf. Het model geeft in onze visie goed weer wat de kenmerken zijn van ‘hoogbegaafdheid’ in interactie met de omgeving.

In dit model zien we:

  1. het denken: de hoge intelligentie
  2. het willen: gedreven en nieuwsgierig; vergelijkbaar met taakgerichtheid / motivatie
  3. het doen: scheppingsgericht; vergelijkbaar met creativiteit
  4. het waarnemen: hoogsensitief; vergelijkbaar met een deel van het zijnsluik of een deel van de overexcitabilities
  5. het voelen: rijk geschakeerd; vergelijkbaar met andere delen overexcitabilities
  6. het zijn: autonoom. Dit deel wordt niet in andere modellen genoemd.

Het model voegt ook de interactie met de omgeving toe. De hoogbegaafde persoon zal op creatieve, snelle, intense en complexe wijze in interactie zijn met de maatschappij.

Samenvattend leidt dit tot een allesomvattende definitie, waarin Athena de duiding van hoogbegaafdheid sluitend vindt:

“Een hoogbegaafde is een nieuwsgierig, sensitief en emotioneel mens. Hij of zij is een snelle en slimme denker, die complexe zaken aankan. Verder is hij of zij autonoom, gedreven van aard en intens levend. Hij of zij schept plezier in creëren.”

 

Conclusie

Voor de theoretische duiding van het begrip hoogbegaafdheid sluiten wij ons aan bij de volgende bevindingen uit de literatuur en onderzoek:

  1. de drie aanlegfactoren moeten aanwezig zijn: hoge intelligentie, taakgerichtheid en creativiteit.
  2. de drie aanlegfactoren moeten elkaar overlappen (zie cirkels van het model) om hoogbegaafde prestaties te kunnen bereiken.
  3. om de drie aanlegfactoren te laten overlappen is een stimulerende gunstige omgeving nodig vanuit school, gezin en peers (ontwikkelingsgelijken).
  4. naast de cognitieve elementen is er ook sprake van een aantal andere eigenschappen die leiden tot een ‘anders zijn’ namelijk: een hoge mate van gevoeligheid, perfectionisme, groot rechtvaardigheidsgevoel, een kritische instelling, gedrevenheid, nieuwsgierigheid en autonomie.

DUS: